Rechtbank: Wmo-opvang voor kwetsbare vreemdeling - Nieuws

Rechtbank: Wmo-opvang voor kwetsbare vreemdeling


16 juli 2014
De gemeente Den Haag moet op grond van een uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2014 een dakloze vreemdeling opvang geven in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).


De betrokken vreemdeling verblijft al 21 jaar zonder verblijfsvergunning in Nederland en heeft meerdere malen een aanvraag voor maatschappelijke opvang gedaan bij de gemeente, welke aanvragen steeds zijn afgewezen. De gemeente stelt zich hierbij op het standpunt dat in het bestuursakkoord tussen het Rijk en de gemeenten een taakverdeling is afgesproken waarbij de opvang en uitzetting van ongedocumenteerde vreemdelingen voor rekening van het Rijk dient te komen.

De recente Immediate Measure door het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) waarin Nederland wordt opgeroepen te voorzien in de meest basale levensbehoeften - zoals voedsel en onderdak - voor alle in Nederland verblijvende kwetsbare vreemdelingen. In deze Immediate Measure ziet de gemeente echter geen reden om van deze taakverdeling af te wijken, ondanks dat lokale overheden bij naam genoemd worden in deze uitspraak.

Hiernaast heeft de DT&V de vreemdeling, volgens de gemeente, opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) aangeboden, welk aanbod de vreemdeling heeft afgewezen. Hiermee zou een zogenaamde voorliggende voorziening in het kader van de Wmo gecreëerd zijn op grond waarvan de gemeente deze vreemdeling niet in haar eigen maatschappelijke opvang op zou hoeven nemen.

De rechtbank heeft nu geoordeeld dat uit eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is gebleken dat onder bepaalde omstandigheden het onthouden van onderdak niet gerechtvaardigd is in het oog van artikel 8 EVRM, bijvoorbeeld wanneer “naar objectief medisch maatstaf wordt vastgesteld dat de fysieke en psychische toestand van de vreemdeling substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang”.

De gemeente heeft niet betwist dat de vreemdeling inderdaad als kwetsbaar is aan te duiden, hij is zowel psychisch als fysiek in een slechte toestand, maar deze toestand is niet zodanig ernstig dat zich een acute medische noodsituatie voordoet. In beginsel heeft hij dus recht op opvang, tenzij voorliggende voorziening bestaat.

De rechtbank constateert echter dat het VBL-aanbod niet op de regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005) is gebaseerd en dus als zodanig niet als voorliggende voorziening kan worden aangeduid. Verder twijfelt de rechtbank aan de feitelijke beschikbaarheid van beschikbaarheid van opvang in het VBL, omdat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) pas bereid was tot het verlenen van opvang als er meer informatie bekend was.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt door de rechtbank toegewezen en gemeente wordt opgedragen per direct maatschappelijke opvang te verlenen aan deze vreemdeling tot zes weken nadat de gemeente een nieuwe beslissing heeft genomen over de Wmo-opvangaanvraag.

Overigens is bekend geworden dat het ECSR inmiddels een uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure waarin eerder een Immediate Measure (een voorlopige voorziening) werd getroffen. Deze uitspraak, waarvan de verwachting is dat deze inhoudelijk aansluit op de eerdere Immediate Measure, is reeds bij de procespartijen bekend, maar wordt pas over vier maanden openbaar gemaakt. De gedachte achter deze vier maanden - termijn is dat een lidstaat dan vier maanden de tijd heeft om zijn beleid en de uitvoering daarvan in lijn te brengen met de uitspraak van het Comité. Na deze periode van vier maanden zal de uitspraak ook publiekelijk worden gepubliceerd. Desondanks heeft het bericht dat er inmiddels een uitspraak ligt al vragen opgeroepen bij de oppositiepartijen in de Tweede Kamer, welke zich al eerder zeer kritisch hebben uitgelaten over het asielbeleid.

Meer informatie:
De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2014

Terug