Noodzaak hoge leges voor gezinshereniging overtuigt Raad van State niet - Nieuws

Noodzaak hoge leges voor gezinshereniging overtuigt Raad van State niet


31 oktober 2018
De Raad van State heeft geoordeeld dat de IND niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de legeskosten voor een aanvraag gezinshereniging negen keer hoger mogen zijn dan de kosten voor een nationale identiteitskaart.


De legeskosten voor het verkrijgen van een reguliere verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging zijn in Nederland relatief hoog, zeker in verhouding tot de kosten voor een Nederlandse identiteitskaart. Dat deze kosten niet te hoog mogen zijn omdat ze anders een onredelijke belemmering vormen voor bijvoorbeeld de uitoefening van het gezinsleven, is in april 2012 al bepaald door het EU-Hof van Justitie. Toen waren de legeskosten nog zeven keer zo hoog dan de leges voor het aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart.

Naar aanleiding van het arrest van het EU-Hof van Justitie van 26 april 2012 in de zaak die door de Europese Commissie tegen Nederland was aangespannen  (ECLI:EU:C:2012:243) zijn de legeskosten voor een aantal reguliere verblijfsvergunningen gematigd. De legeskosten zijn echter niet afdoende terug geschroefd. In een zaak uit 2018, waarin de legeskosten niet zeven maar negen keer hoger waren dan een Nederlandse identiteitskaart, heeft de Raad van State dan ook vragen hierover gesteld aan de IND. In antwoord op deze vragen heeft de IND aangegeven dat de hogere kosten voortvloeien uit de hogere arbeidsintensiviteit van aanvragen voor gezinshereniging ten opzichte van Nederlandse identiteitskaarten.

De Raad van State acht dit niet voldoende, nu de staatssecretaris in het geheel niet ingaat op het eerdere arrest van het EU Hof. In de uitspraak van 8 oktober 2018 merkt de Raad van State hierover letterlijk op:
“De staatssecretaris heeft niet bestreden dat de leges voor een verblijfsvergunning regulier als familie- of gezinslid ongeveer negen maal zo hoog zijn als die voor een nationale identiteitskaart. Hij heeft verzuimd in te gaan op het arrest Commissie tegen Nederland. De staatssecretaris heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de heffing van de leges ter hoogte van negen maal het bedrag dat verschuldigd is voor een nationale identiteitskaart, verenigbaar is met het arrest Commissie tegen Nederland.”

NB: bovenstaande heeft betrekking op 'gewone' gezinshereniging, niet op grond van het nareis-criterium.

Meer informatie:
De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 8 oktober 2018 met zaaknummer 201605302/1/V3 (link naar de website van de RvS)
Het arrest van het EU Hof van Justitie d.d. 26 april 2012 met zaaknummer C-508/10 (Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden)

Terug