Geen onderdak en leefgeld voor asielzoeker die geen kant op kan - Nieuws

Geen onderdak en leefgeld voor asielzoeker die geen kant op kan


02 oktober 2017
In een zaak van een asielzoeker die niet terug kan èn niet mag blijven heeft de Raad van State uitgesproken dat de staatssecretaris van Justitie hem onderdak en leefgeld mag onthouden. Opnieuw wordt hiermee het Europees Hof voor de Rechten van de Mens genegeerd.


Volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 augustus 2017 is het niet in strijd met art. 3 en 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens om opvang te onthouden aan een asielzoeker waarop zowel art. 1F van het Vluchtelingenverdrag (geen status bij verdenking van oorlogsmisdaden) als art. 3 EVRM (niet blootstellen aan mensonwaardige behandeling) van toepassing is. De IND erkent dus dat de asielzoeker niet terug kan naar zijn land van herkomst omdat het daar gevaarlijk voor hem is, maar tegelijkertijd krijgt hij geen verblijfsstatus in Nederland, omdat art 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing zou zijn. Eenvoudig gezegd: hij kan niet terug, maar hij mag hier ook niet zijn, want het beleid “is er op gericht tegen te gaan dat Nederland een vluchthaven wordt voor vreemdelingen op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is”. In zo’n geval mag een asielzoeker dus van de Raad van State basale opvang onthouden worden.

Extreme armoede
Dat de asielzoeker hierdoor letterlijk tussen de wal en het schip valt en geen kant op kan, betekent volgens de Raad van State echter niet dat de staatssecretaris onvoldoende doet om te voorkomen dat de betreffende asielzoeker zich in een mensonwaardige situatie (cf. art 3 EVRM) c.q. een situatie van extreme armoede (cf. uitspraak ‘Hunde’ van het EHRM) bevindt. Op 28 juli 2016 sprak het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (in de zaak Hunde vs. Nederland, overweging 59) namelijk uit, dat een overheid niet inactief kan blijven als het geconfronteerd wordt met een situatie van extreme armoede: “Article 3 requires states to take action in situations of the most extreme poverty – also when it concerns irregular migrants.”

Tienjaren-beleid is een dode letter
De Raad van State verwijst ter motivering naar het tienjaren-beleid voor 1F-ers waarop tevens art. 3 EVRM van toepassing is. Dat houdt in dat iemand die 10 jaar lang verblijf geweigerd is in verband met een verdenking van oorlogsmisdaden (art. 1F), maar ook 10 jaar lang vanwege gevaar bij terugkeer niet kon worden uitgezet naar het land van herkomst (art. 3 EVRM) vanwege een ‘uitzonderlijke situatie’ voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt. Alleen het bestaan van dit tienjaren-beleid voorkomt in de ogen van de Raad van State dus al dat een asielzoeker zich in een situatie van extreme armoede kan bevinden.

Wat de Raad van State echter niet vermeldt is dat het tienjaren-beleid sinds de totstandkoming in 2009 slechts één keer is toegepast. Reeds in 2012 schreef INLIA dat dit tienjarenbeleid een dode letter was. Ook in deze zaak is gebleken dat het beroep dat de asielzoeker op het tienjaren-beleid heeft gedaan op 13 mei 2015 definitief is afgewezen door dezelfde Raad van State, terwijl betrokkene op dat moment al 15 jaar (!) in Nederland verbleef. Feitelijk doet de staatssecretaris in deze concrete situatie dus wel degelijk onvoldoende om te voorkomen dat de betreffende asielzoeker zich in een situatie van extreme armoede dan wel een mensonwaardige situatie bevindt.

Cirkelredenering
Het beroep van de asielzoeker op art. 8 EVRM (schending van het recht op privé- en gezinsleven) wordt door de Raad van State ook verworpen, en wel met een merkwaardige cirkelredenering. Iemand die geen overheidsvoorzieningen krijgt is aangewezen op een netwerk van particulieren (familie, vrienden) en/of organisaties (zoals kerken en vluchtelingenorganisaties), die hem ondersteunen. Vervolgens wordt het beroep op de overheid afgewezen omdat “de vreemdeling beschikt over een netwerk (...) dat hem opvangt en onderhoudt.”

Meer informatie:
De volledige uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 25 aug 2017 met nr 201701853/1

Terug