Raad van State erkent directe werking kinderrechtenverdrag - Nieuws

Raad van State erkent directe werking kinderrechtenverdrag


12 juni 2013
De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een recente uitspraak bevestigd dat de belangen van kinderen expliciet moeten worden betrokken in alle beslissingen in asielprocedures.


In het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), dat ook Nederland heeft ondertekend, worden bepaalde rechten voor kinderen vastgelegd zoals het recht op gezinsleven, medische zorg en sociale zekerheid en bescherming tegen discriminatie en verwaarlozing.

In een zaak, waarin de asielvergunning van een gezin met minderjarige kinderen door de IND was ingetrokken, deed de Raad van State op 16 april 2013 een belangwekkende uitspraak. De IND was van oordeel dat de asielprocedure op het gezin als geheel is gericht en “dat de belangen van kinderen zonder zelfstandige asielmotieven daarom geen overwegende rol spelen”. In zijn beschikking was de IND daarom niet specifiek ingegaan op de belangen van deze kinderen. De Raad van State is het hier niet mee eens en heeft nu bevestigd dat de bescherming van art. 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft, in die zin "dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken". Rechtstreekse werking betekent dat het verdrag rechtstreeks van toepassing is in Nederland en dat aan het verdrag rechten kunnen worden ontleend.

Dit betekent dat op grond van het IVRK in beslissingen waarbij kinderen betrokken zijn expliciet aandacht aan de belangen van deze kinderen moet worden besteed. Als dit niet is gebeurd is de beslissing onvoldoende gemotiveerd en kan deze door de rechter vernietigd worden. Deze uitspraak is van belang voor alle zaken waarin belangen van kinderen meespelen. Op grond van deze uitspraak kan de IND dus niet meer om de belangen van het kind heen. Dit mag zonder meer een positieve ontwikkeling worden genoemd. 

Eerder overwoog de Raad van State in ontruimingsprocedures waarbij kinderen betrokken waren nog dat het IVRK géén rechtstreekse werking had en dat het COA gezinnen met minderjarige kinderen na afloop van de procedure 'gewoon' op straat mocht zetten. Op grond hiervan heeft het COA jarenlang ook daadwerkelijk gezinnen met kinderen op straat gezet. De Hoge Raad maakte hier in 2012 definitief een einde aan, toen zij oordeelde dat het op straat zetten van gezinnen met minderjarige kinderen onrechtmatig was omdat dit ook in strijd is met het Nederlandse recht. 

 
De Raad van State is nu dus kennelijk ook 'om' ten aanzien van haar eerdere opvatting dat het IVRK geen rechtstreekse werking had. Nog in 2008 beweerde de Raad van State: "Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.” Dit 'voortschrijdend inzicht' van de Raad van State pakt echter wel erg wrang uit voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in de tussengelegen 15 jaar als gevolg van de toen geldende jurisprudentie van de Raad van State op dit punt 'gewoon' op straat werden gezet.


Meer informatie:
De volledige uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 16 april 2013 (uitspraaknr 201211554/1/V4) is te vinden op de website van de Raad van State.
De uitspraak van de RvS uit 2008 waarnaar wordt verwezen is hier te vinden.

Terug