Europees Hof oordeelt over 'bed,bad,brood' - Nieuws

Europees Hof oordeelt over 'bed,bad,brood'


18 mei 2016
De uitspraak inzake ‘bed,bad,brood’ van de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State van 26 november 2015 is voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Deze hoogste Europese rechter heeft nu laten weten de zaak, die draait om de vraag of aan het bieden van ‘bed, bad,brood’ voorwaarden mogen worden gesteld, met voorrang te zullen gaan behandelen.


Volgens de uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 1 juli 2014 (gepubliceerd op 10 november 2014) is de Nederlandse overheid verplicht opvang te bieden aan dakloze vreemdelingen. In het kader van het Europees Sociaal Handvest en de rechten welke hieraan worden ontleend is de toegang tot deze opvang onvoorwaardelijk:

“The Charter requires that emergency social assistance be granted without any conditions. (...) The Committee equally considers that the provision of emergency assistance cannot be made conditional upon the willingness of the persons concerned to cooperate in the organisation of their own expulsion.” (overweging 117).
 
De Nederlandse staatssecretaris heeft zich echter vanaf het begin af aan op het standpunt gesteld dat door het bieden van onderdak in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) wordt voldaan aan het oordeel van het ECSR. In de VBL wordt echter wèl vastgehouden aan het criterium van meewerken aan vertrek als voorwaarde voor opvang. Ook volgens de Raad van State mag het meewerk-criterium gesteld worden als voorwaarde voor opvang, blijkens haar uitspraak van 26 november 2015. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), die op 17 december 2014 nog oordeelde dat gemeenten onvoorwaardelijk ‘bed, bad, brood’ dienden te verstrekken aan dakloze vreemdelingen, sloot zich op 26 november 2015 vreemd genoeg aan bij het oordeel van de Raad van State en oordeelde nu dat gemeenten niet langer verplicht waren om ‘bed, bad, brood’  te verstrekken aan dakloze vreemdelingen, omdat betrokkenen in de VBL terecht zouden kunnen. 
 
Dit oordeel van de CRvB is opvallend, want de VBL bestond ook al in 2014 toen de CRvB nog oordeelde dat gemeenten verplicht waren onvoorwaardelijk ‘bed,bad,brood’ te verstrekken aan dakloze vreemdelingen. Opvallend is tevens dat zowel de Raad van State als de CRvB aangeven dat oordelen van het ECSR ‘gezaghebbend’ zijn, maar vervolgens voorbij gaan aan de belangrijkste overweging van het oordeel van het ECSR van 1 juli 2014.
 
Omdat het ECSR ‘slechts’ zwaarwegende adviezen kan geven over de mate waarin landen hun verdragsrechtelijke verplichtingen nakomen, en omdat deze uitspraak formeel gezien niet juridisch bindend is, is er tot nu toe geen mogelijkheid geweest de Nederlandse rechtspraktijk definitief te toetsen aan de Europese mensenrechtenverdragen. Nu het Europees Hof voor de Rechten van de Mens deze kwestie gaat beoordelen zal er wèl een bindend oordeel volgen. Bovendien heeft het Hof op 6 mei jl. bekendgemaakt, mede naar aanleiding van een verzoek van het Nederlandse College voor de Rechten van de Mens, de zaak met voorrang te zullen behandelen.
 
Ontwikkelingen in deze zaak zullen via deze website worden bijgehouden. De ervaring heeft geleerd in dat zaken die met spoed worden behandeld na ongeveer een half jaar uitspraak gedaan kan worden, dit in tegenstelling tot de vele jaren (soms drie of vier) in een gewone procedure bij het EHRM.
Terug