Raad van State: geen Kinderpardon voor 'gemeente'-kinderen - Nieuws

Raad van State: geen Kinderpardon voor 'gemeente'-kinderen


17 maart 2015
De Raad van State heeft op 4 maart jl. de langverwachte uitspraak gedaan in het hoger beroep van een aantal kinderpardonzaken. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt de lijn van de staatssecretaris dat de aanvragen terecht zijn afgewezen, omdat de kinderen niet in beeld waren bij de rijksdiensten die verantwoordelijk zijn voor het vreemdelingenbeleid.


Eén van de contra-indicaties van de kinderpardonregeling is ‘langer dan drie maanden buiten beeld van de overheid’. Over de vraag of gewortelde kinderen die al die tijd wel bekend waren bij gemeenten, scholen etc. ook in aanmerking zouden komen voor een kinderpardonstatus was door rechtbanken verschillend geoordeeld. De ene rechtbank verwierp het onderscheid tussen rijksdiensten belast met vreemdelingenbeleid en overige (rijks- en gemeentelijke) diensten en de andere rechtbank volgde de lijn van de staatssecretaris. Er is maandenlang gewacht op een oordeel in hoger beroep van de Raad van State.

Op 4 maart 2015 publiceerde de Raad van State tegelijkertijd vier uitspraken. De Raad formuleert in het persbericht zijn standpunt als volgt:
“In de kinderpardonregeling staat dat vreemdelingen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als zij zich niet hebben onttrokken aan het toezicht. Volgens de staatssecretaris voldoet een vreemdeling daaraan als hij in beeld is bij ten minste de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), de Vreemdelingenpolitie of voogdijinstelling Nidos.
Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak mag van illegale vreemdelingen een actieve houding worden verwacht om in beeld te blijven bij instanties die belast zijn met het vreemdelingenbeleid. Het feit dat een vreemdeling contact heeft onderhouden met andere instanties,  zoals een gemeente, is onvoldoende omdat die instanties niet zijn belast met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.”
De Raad van State volgt dus de lijn van de staatssecretaris dat het continu in beeld zijn bij gemeentelijke instanties, scholen en inentingsprogramma’s niet hetzelfde is als onder toezicht van de rijksoverheid staan en dat in deze gevallen terecht een aanvraag voor het kinderpardon is afgewezen.
 
Eén ondeelbare overheid
Het is een algemeen aanvaard gegeven dat de overheid één en ondeelbaar is. Op het moment dat gemeenten in het verleden besloten over te gaan tot het bieden van noodopvang aan als gevolg van rijksbeleid dakloos geworden asielzoekers, werd ze dat ook tegengeworpen omdat ze het overheidsbeleid hiermee zouden doorkruisen.  “Het getuigt van hypocrisie van de Raad van State, het adviesorgaan van de ene, ondeelbare overheid, om van het ene op het andere moment de overheid te verengen tot alleen de eigen diensten van de staatssecretaris. Dat het welzijn van kinderen wordt afhankelijk gesteld van de vraag of ze in beeld waren bij slechts die diensten die werken voor deze ene staatssecretaris is ongehoord en valt op geen enkele wijze te rechtvaardigen”, aldus LOGO-voorzitter John van Tilborg.
Kinderen die in gemeenten woonden en naar school gingen zijn overigens niet alleen bekend bij gemeentelijke diensten, maar ook bij bijv. het Ministerie van Onderwijs (dat scholen subsidieert naar gelang de daar ingeschreven leerlingen) en het Rijksvaccinatieprogramma van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Het standpunt dat deze kinderen in aanmerking moeten komen voor het kinderpardon wordt ook ondersteund door een overgrote meerderheid van 312 van alle 400 burgemeesters in Nederland.
 
Belangen van het kind
Een deel van de kinderen die een beroep hebben gedaan op het kinderpardon  valt dus buiten de boot omdat de ouders zich volgens de Raad van State niet genoeg hebben ingespannen om in beeld te blijven bij de rijksoverheid. Deze kinderen worden dus afgerekend op gedragingen van hun ouders!
Daarmee gaat de Raad van State volkomen voorbij aan de rechten van het kind, zoals die zijn vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), waarvan Nederland notabene een van de initiatiefnemers is geweest. Artikel 3 van het IVRK stelt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.”
Dit is bovendien in strijd met het oordeel van de Hoge Raad, die op 21 september 2012 letterlijk uitsprak: “Op de staat rust de verplichting te waken voor de rechten en belangen van minderjarigen die zich op zijn grondgebied bevinden, ook waar het gaat om minderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel, mede omdat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor gedragingen van hun familieleden.”
 
Door overheid zèlf onrechtmatig op straat gezet
Daarbij komt nog dat de rijksoverheid in veel gevallen zèlf verantwoordelijk was voor het beëindigen van de voorzieningen en dus voor het buiten beeld raken van deze gezinnen. Tot 27 juli 2010 was het standaardbeleid van de rijksoverheid namelijk om ook de opvang van gezinnen met minderjarige kinderen te beëindigen, waardoor zij buiten beeld raakten van de rijksdiensten die zijn belast met vreemdelingentoezicht. Het Gerechtshof in Den Haag oordeelde echter in een tussenarrest op 27 juli 2010 dat het onrechtmatig was dat de rijksoverheid opvang onthield aan gezinnen met minderjarige kinderen. Dit oordeel werd bekrachtigd door het Hof op 11 januari 2011 en daarna in cassatie bij de Hoge Raad op 21 september 2012.
Juist die kinderen die als gevolg van dit, door zowel het Gerechtshof als de Hoge Raad alsonrechtmatig veroordeelde beleid buiten beeld van de rijksoverheid zijn geraakt, vallen nu buiten het kinderpardon. Ze zijn dus twee maal het slachtoffer: eerst zijn ze onrechtmatig op straat gezet en daarna vallen ze buiten het kinderpardon omdat ze als gevolg daarvan niet meer ‘in beeld van de rijksoverheid’ waren.
 
Actieve houding
De Raad van State meent nu van deze kinderen en hun ouders een ‘actieve houding’ te mogen verwachten; zij hadden dus op eigen initiatief contact moeten zoeken en onderhouden met dezelfde rijksdiensten zoals een IND, DT&V of COA, die hen eerder letterlijk op straat hadden gezet met de mededeling dat ze niet meer voor rijksopvang in aanmerking kwamen (en dientengevolge bijvoorbeeld ook niet meer hoefden ‘stempelen’ bij de Vreemdelingenpolitie). Deze mensen hadden dus zelf maar moeten bedenken en voorzien, dat zo’n ‘actieve houding’ noodzakelijk zou blijken te zijn om in de toekomst voor een (kinder)pardonregeling in aanmerking te kunnen komen. 
Het geheel overziende kunnen we dit niet anders kwalificeren dan als een bizarre situatie. “Zo omgaan met kinderen past niet in onze Nederlandse cultuur en traditie. Als dit beleid wordt gehandhaafd dan wordt gebroken met de wijze waarop wij door de jaren heen invulling hebben gegeven aan de wens om kinderen rechtvaardig te behandelen, en lijdt Nederland als initiatiefnemer van het IVRK bovendien pijnlijk gezichtsverlies in het buitenland”, aldus John van Tilborg.
 
 
Meer informatie:
De toelichting van de Raad van State
De vier uitspraken in hoger beroep van 4 maart 2015 met zaaknummers: 201403561/1 (RB Utrecht),  201405813/1 (RB Arnhem), 201406488/1 (RB Groningen) en 201408150/1 (RB Haarlem)
Terug