Rb A'dam: aanvraag 'kinderpardon' ook toetsen aan schrijnendheid - Nieuws

Rb A'dam: aanvraag 'kinderpardon' ook toetsen aan schrijnendheid


30 juli 2013
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft op 11 juli 2013 een uitspraak gedaan over het 'kinderpardon'. Volgens de rechtbank dient de IND bij aanvragen voor het 'kinderpardon' altijd ook te toetsen of er sprake is van schrijnendheid.


Voor zover bekend is dit de eerste keer dat een rechtbank zich heeft uitgesproken over de invulling van het ‘kinderpardon’ oftewel de ‘Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen’. Het betreft in deze zaak een gezin uit Mongolië met twee kinderen van 9 en 11 jaar die in Nederland zijn geboren, hier een opleiding hebben gevolgd en die stellen gediscrimineerd te zullen worden bij terugkeer naar Mongolië. De aanvraag van deze kinderen, die gezien het langdurige verblijf in Nederland ruim binnen de criteria van het ‘kinderpardon’ zou vallen, is afgewezen omdat de moeder een strafblad heeft.

Tegenover de rechtbank heeft de IND “desgevraagd bevestigd dat er in deze procedure ruimte bestaat is om te beoordelen of sprake is van individuele bijzondere feiten en omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid", m.a.w. schrijnendheid. In deze zaak heeft de IND echter beslist dat alle omstandigheden van dit geval (de kinderen zijn in Nederland geboren, volgen hier een opleiding en zullen waarschijnlijk worden gediscrimineerd in Mongolië) niet voldoende zijn om deze schrijnendheid aan te nemen.

De rechtbank vindt deze afwijzing onvoldoende gemotiveerd: de IND heeft niet tegengesproken dat de kinderen “9 en 11 jaar oud zijn, in Nederland zijn geboren, schoolgaand zijn, het land nimmer hebben verlaten en niet op de hoogte zijn van het strafrechtelijk verleden van hun moeder”. De IND had duidelijk moeten aangeven waarom deze omstandigheden niet voldoende zijn om een beroep op schrijnendheid te rechtvaardigen. Ook is de IND “onvoldoende ingegaan” op de omstandigheid dat kinderen “niet de dupe mogen worden van de gedragingen van hun moeder in het verleden”. Het doel van deze regeling zou (ook volgens INLIA) toch het vinden van een oplossing voor deze kinderen moeten zijn. Doet het hebben van een strafblad van één van de ouders iets af aan de mate waarin deze kinderen geworteld zijn in de Nederlandse maatschappij?

Doordat in het ‘kinderpardon’ wèl ruimte voor een toetsing aan schrijnendheid aanwezig is, verschilt de huidige regeling wezenlijk van het ‘generaal pardon’ uit 2007. Ook toen kon men zich beroepen op bijzondere omstandigheden, maar deze konden vaak gemakkelijk door de IND worden afgedaan met het argument dat de aangevoerde omstandigheden al in het beleid waren verwerkt.

Belangrijk aan deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam is dus nu dat de IND bij de behandeling van aanvragen voor het 'kinderpardon', omdat dit wordt verleend op dezelfde wettelijke basis als een vergunning op grond van schrijnendheid (nl. 3.4 lid 3 Vb), altijd dient te toetsen of er ook gronden zijn om een vergunning op grond van schrijnendheid te verstrekken, en duidelijk moet motiveren wanneer iemand niet aan de gronden voor schrijnendheid voldoet. Overigens kan het zo zijn dat de IND nog hoger beroep instelt in deze procedure. Omdat de huidige uitspraak een voorlopige voorziening betreft (waartegen geen hoger beroep openstaat) is dat op dit moment nog niet mogelijk. 


Meer informatie:
De volledige tekst van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam d.d. 11 juli 2013

Terug